Dulle Griet gedecodeerd?

Boekbespreking: De Bruegel Code van Leo Spaepen

De Bruegel Code van Leo Spaepen is verschenen in mei 2025 en uitgegeven bij MER.Books/Borgerhoff&Lamberigts, Antwerpen.

Zijn uitgangspunt is de Volkstelling in Bethlehem[1], waarvan Wijnegemse heemkundigen op even verrassende als overtuigende wijze blijken aangetoond te hebben dat het dorp Wijnegem nabij Antwerpen het decor voor dit werk is geweest. Leo Spaepen toont aan dat dit werk een dubbele bodem heeft. In de Bruegelliteratuur bestaat er doorgaans consensus over het feit dat Bruegels werken meerlagig zijn. Leo Spaepen spit die lagen boven. De volkstelling is niet alleen een voorstelling van het verhaal uit de Bijbel maar ook en vooral een eigentijds verhaal voor en over de opdrachtgever van het werk, de Antwerpse belastingpachter Jan Vleminck, die in 1566 de cijnsrechten over Wijnegem had verworven en bezoek kreeg belastingbetalers.

Leo Spaepen noemt Bruegels  Volkstelling in Bethlehem en een voorloper ervan ‘De strijd tussen carnaval en vasten’[2] simultaanschilderijen, werken die twee lagen hebben, de actualiteit van Bruegels tijd, waarin tegenstellingen ontstonden over de oorbaarheid van het vieren van het losbandige carnaval, en een heikel thema van alle tijden, de verhouding van de mens tot kerk en godsdienst. De simultaniteit was Bruegels middel om, zonder te veel risico, onder de dekmantel van een bijbels thema, en met de mogelijkheid zich te distantiëren als dat nodig was, te tekenen of schilderen over politiek of religieus in zijn tijd gevoelige actuele thema’s.

Volkstelling in Bethlehem, 1565, KMSK Brussel

De hoofdmoot van De Bruegel Code vormt de toetsing van Dulle Griet[3], het meest enigmatische schilderij van Bruegel, aan de simultaniteitstheorie. Naast Dulle Griet toetst Spaepen nog een hele reeks andere van Bruegels schilderijen aan zijn theorie: de Vlucht naar, Twee aapjes, de Toren(s) van Babel, Landschap met de val van Icarus, de Kruisdraging, Jezus en de overspelige vrouw, de Prediking van Johannes de Doper, de Kindermoord te Bethlehem, het Land van Cocagne, de Bekering van Paulus, de Ekster op de galg, Parabel der blinden en tot slot de Misantroop. Het moet gezegd, Spaepen slaagt erin voor de meeste van deze werken de simultaniteit aannemelijk te maken. Het zou mij in het bestek van deze boekbespreking te ver leiden deze stuk voor stuk te becommentariëren.

Dulle Griet, 1563, Museum Mayer van den Bergh, Antwerpen

Eigenaardig is dat Spaepen vooral worstelt met Landschap met de val van Icarus en met het hoofdthema van zijn boek, de Dulle Griet. Hij is niet de eerste en hij zal niet de laatste zijn die worstelt met Bruegels onnavolgbare creativiteit.

Dulle Griet lijkt wel de weerslag te zijn van een hallucinatie, een wilde droom. Of bedacht onder invloed van geestverruimende substantie(s)? Naakte mensen in een glazen (disco)bol (zie detail 1), een visioen?

Dulle Griet, 1563, Museum Mayer van den Bergh, Antwerpen -detail 1

Vooreerst rijst de vraag of het werk kan herleid worden tot maar twee lagen. Voor Spaepen gebruikt Bruegel het van alle tijden zijnde maatschappelijke thema van de man-vrouwverhoudingen als dekmantel voor het diepere, riskante thema van het grote politiek-religieuze conflict van zijn tijd, de onderdrukking van het opkomend protestantisme op bevel van de katholieke Spaanse koning Filips II. De hoofdfiguren zouden in die tweede context, aldus Spaepen, landvoogdes Margaretha van Parma en haar belangrijkste raadsheer, kardinaal Granvelle, zijn. Spaepen stuit met zijn combinatie op ongerijmdheden, waarvan hij zelf moet vaststellen dat ze niet uitlegbaar zijn zonder bepaalde inconsequenties te aanvaarden.

Deze bijdrage pretendeert niet het raadsel van de Dulle Griet te ontsluieren. Wel beoogt ze aanvullend te zijn en het debat over dit werk te voeden met enkele kanttekeningen bij Spaepens analyse van het schilderij.

Volgens Spaepen is Dulle Griet te vereenzelvigen met landvoogdes Margaretha van Parma – Dulle Margaretha, Dulle Griet - (°Oudenaarde, na 25 juli 1522 †Ortona, 18 januari 1586).[4] 

Anthonis Mor, portret van Margaretha van Parma, ca. 1562, Museo National del Prado Madrid

Zij werd geboren in Oudenaarde in 1522 als voorhuwelijkse, en dus buitenechtelijke, dochter van keizer Karel V en vanaf 1533 opgevoed in Italië. Zij huwt in 1536 met Alessandro de Medici, hertog van Toscane, die in 1537 vermoord wordt, en hertrouwt in 1538 met Ottavio Farnese, hertog van Parma en Piacenza van 1547 tot 1586. In 1559 benoemt haar halfbroer Filips II haar tot landvoogdes der Nederlanden.

Er bestaat een reële kans dat zij Bruegel ontmoet heeft in Italië. De befaamde miniaturist Giulio Clovio werkte vier decennialang, van 1537 tot aan zijn dood in 1578, in haar dienst aan de hoven van Farnese in Firenze en Rome. Het absolute hoogtepunt in zijn oeuvre is het Farnese Getijdenboek. Zowel Margaretha van Parma als Giulio Clovio verblijven in de jaren 1553-54 in Rome, palazzo Farnese. Ook Bruegel verblijft in die jaren in Rome en werkt er samen met Clovio, in wiens nalatenschap zich twee verdwenen werken van Bruegel en een door hem samen met Bruegel op ivoor geschilderde, ook verdwenen, Toren van Babel bevonden.

Als Margaretha van Parma de protagoniste Dulle Griet is, zoals Spaepen voorhoudt, dan moet gezegd dat Bruegel haar op weinig flatterende wijze afgebeeld heeft. Van enige fysieke gelijkenis lijkt er bij vergelijking met haar portretten, geschilderd door Anthonis Mor(°Utrecht ca. 1519 †Antwerpen, 1575) in 1559 en 1562, geen sprake. Wel verenigbaar met het voorkomen van Dulle Griet is de roep van Margaretha dat zij als een ‘man in vrouwenkleren’ voorkwam en een verwoed jager te paard was.[4] 

Dulle Griet, 1563, Museum Mayer van den Bergh, Antwerpen -detail 5

Anthonis Mor, portret van Margaretha van Parma, ca. 1562, Museo National del Prado Madrid

In Spaepens uitlegging van Dulle Griet is het andere hoofdpersonage kardinaal Antoine Perrenot de Granvelle, voornaamste raadsheer van Margaretha. Ook dit lijkt eerder onwaarschijnlijk. De kledij van de geld afscheidende geestelijke lijkt wel te kunnen kloppen, zijn gelaat, voor zover zichtbaar, echter niet. Een eerbiedige afbeelding is het zeker niet. Algemeen wordt aangenomen dat Granvelle een groot bewonderaar en mecenas van Bruegel is geweest. Waarom zou Bruegel bijten in de hand die hem voedt en beschermt? Als het klopt dat Bruegel Margaretha van Parma al aan haar hof in Rome leerde kennen, wat zeer wel mogelijk geacht kan worden, geldt hetzelfde voor haar. Waarom zou hij een bevoorrechte relatie met de landvoogdes bezwaren door haar oneerbiedig af te beelden als Dulle Griet?

Wie zou de geldschijter dan wel kunnen zijn? Een opvallend kenmerk van zijn profiel is de Habsburgse kinnebak, die eerder past bij Filips II. Filips II was een vrome, overtuigd katholieke koning die de Spaanse macht uitbreidde, maar in de Nederlanden bekendstond als een tirannieke heerser en roomse ‘kwezel’ vanwege zijn harde en fanatieke aanpak van protestanten, die de vrijheden van de Nederlanden beknotte

Willem Key, portret van Antoine Perrenot de Granvelle, 1561, Schlossmuseum Weimar

Dulle Griet, 1563, Museum Mayer van den Bergh, Antwerpen -detail 6

Titiaan, portret van Filips II, 1550-51, Museo national de Prado Madrid

Dulle Griet, 1563, Museum Mayer van den Bergh, Antwerpen -detail 7

Wat zich afspeelt op het strand en in de duinen, nabij een galg, zou dan verband kunnen houden met het niet zo fijngevoelige optreden van de Spaanse conquistadores in Zuid-Amerika? (zie afbeelding detail 7)

In mijn boek ‘Pieter Bruegel de Oude. Plejdoe:j vuur Bruegel’ vestigde ik in een appendix de aandacht op de figuurtjes achter de tralies van het ronde venster in het bolwerk rechts. Spaepen ziet hier menselijke figuren in.[4] Daarin kan ik hem onmogelijk bijtreden. Het zijn overduidelijk twee aapjes, eentje toost met een goed glas in de hand. In Bruegels tijd genoten meerdere belangrijke figuren de reputatie van ‘kwade dronk’: Willem van Oranje[5], Bruegels collega Frans Floris[6] [7] en de graven van Egmont en Horne. Oranje, Egmont en Horne namen deel aan drinkgelagen bij Floris.[8]

Dulle Griet, 1563, Museum Mayer van den Bergh, Antwerpen -detail 6 (foto Luc Savelkoul)

Tot slot, heeft Bruegel zich voor de hellemond van zijn Dulle Griet laten inspireren door deze van deze van de Tuinen van Bomarzo (het Parco dei Mostri di Bomarzo), zoals in Bruegelcommentaren vaak geopperd wordt? Afgaand op de in hardsteen gebeitelde inscriptie met datering aldaar ‘VICINO ORSINO NEL MDLII kan het alleszins niet uitgesloten worden: 1552 valt in de periode 1552-1554, waarin Bruegel naar en door Frankrijk en Italië reisde.

Dulle Griet, 1563, Museum Mayer van den Bergh, Antwerpen -detail 7 (foto Luc Savelkoul)

NOTEN

[1] Volkstelling te Bethlehem, 1566, KMSK, Brussel

[2] De strijd tussen carnaval en vasten, 1559, Kunsthistorisches Museum, Wenen

[3] Dulle Griet, 1563, Museum Mayer van den Bergh, Antwerpen

[4] Spaepen Leo, De Bruegel Code, MER.Books - Borgerhoff&Lamberigts, Antwerpen, 2025

[5] Spaepen Leo, o.c.,158

[6] Spaepen Leo, o.c., 154

[7] van Stipriaan, René, De Zwijger, het leven van Willem van Oranje, Querido Facto, 2012, 561

[8] Karel van Mander schreef in zijn Schilder-Boeck over Frans Floris:

“Later echter, toen rijkdom en welvaart bij hem [Frans Floris] waren binnengetrokken dank zij de goedbetaalde werken voor de Kerk en anderen, en hij op de voorgrond kwam door de gunst van vorsten en hoge heren, is hij door sommigen aangelokt om zijn tijd te gaan verdoen met de algemene Nederlandse ziekte: drankzucht. Hierdoor deed hij de kunst en zijn edele geest onrecht en ging men hem zien als een even groot drinkebroer als schilder.”

[9]Frans Jozef Peter Van den Branden, Geschiedenis der Antwerpsche schilderschool, Antwerpen, 1883, 211:

“Floris liep met snelle schreden in zijn verderf. Na weinigen tijd was hij een der vermaardste steunpilaren van het wijnhuis. Als drinker vond hij weidra in gansch de Scheldestad zijn weerga niet meer. De faam zijner zwelgkunst verbreidde zich tot binnen de Hofstad, en de zes grootste « suypeniers, » de « dapperste zwelgkelen » kwamen van Brussel, om hun droevig talent te meten tegen dat van den vermaarden Antwerpschen drinkebroer. Floris nam de uitdaging aan en trok met al zijne tegenstrevers naar de taveerne.
Er werd een feestmaal opgedischt, waarbij den kampioenen de krachtigste wijnen gelijkmatig werden voorgeschonken. Allen dronken, als had hunne maag geenen bodem. Ten halve de maaltijd zag onze schilder drie zijner uitdagers bewusteloos in hunne zetels zakken. De overigen leverden hem meer speels.
Eindelijk begonnen er toch weer twee te doddeltongen. Floris' moed, die reeds aan het zinken was, rees opnieuw.”

[10] Frans Jozef Peter Van den Branden, Geschiedenis der Antwerpsche schilderschool, Antwerpen, 1883, 206